
Glannes, een arm meisje uit Parijs, werd geadopteerd door Jean-Baptiste Godin, en geïntroduceerd in zijn Familistère:
een instelling waar de arbeiders van zijn fabriek en hun gezinnen in een gemeenschap leven met een comfort dat voorheen onbereikbaar voor hen was.
Maar naarmate ze ouder wordt, voelt de jonge vrouw dat het einde van deze utopie onvermijdelijk is,
omdat de technische vooruitgang uiteindelijk gietijzeren kachels en kookfornuizen overbodig zal maken
en de dalende winsten het einde van dit geweldige maatschappijmodel zullen betekenen.
Omdat ze in conflict komt met de plaatselijke fundamentalisten, wordt ze teruggestuurd naar Parijs,
waar ze haar lotgenoten terugvindt: prostituees, bedelaars, dieven, dagloners...
Om de bewoners van de voormalige “Cour des Miracles” (een armenhof) te helpen, besluit Glannes de ideeën die haar mentor Godin haar heeft bijgebracht in praktijk te brengen,
door gebruik te maken van de “beroepen” van deze uitgestotenen van de goede maatchappij. Want hun activiteiten zijn van alle tijden.


